Je werkt voor één opdrachtgever. Al een tijd. Je factureert €22 per uur, en in het begin leek dat prima — je had werk, je had vrijheid, je hoefde geen sollicitatiegesprekken meer te voeren. Belasting zou je op dit niveau nauwelijks betalen, dacht je. Dat klopte ongeveer. Dus rekende je niet verder.
Tot je het wél deed.
Van die €22 gaat eerst 21% btw af die nooit van jou was. Je houdt €18,18 over per gefactureerd uur. Maar niet elk uur dat je werkt, factureer je. Je schrijft offertes, stuurt herinneringen, beantwoordt mails die nergens toe leiden. Een kwart van je werkweek, misschien meer, komt op geen enkele factuur te staan. Die €18,18 moet dus ook de uren goedmaken die je níét doorbelast, want ook dat zijn uren van je leven.
Dan de vakantie. Je neemt twee weken vrij. Niemand betaalt die door. Ziek zijn mag eigenlijk ook niet, want ook dan staat de teller stil; je werkt door met koorts omdat de rekeningen niet pauzeren.
Tel je het eerlijk op, dan kom je ergens rond de €14 à €15 per werkelijk gewerkt uur. Zonder pensioenopbouw, want die bouw je niet op. Zonder recht op WW, want dat heb je niet. Zonder de zekerheid dat er volgende maand werk is, want je hebt één klant, en die bepaalt dat.
Ondertussen heeft die klant een constructie die hém uitkomt. Op papier ben je geen werknemer, dus betaalt hij geen werkgeverslasten, geen vakantiegeld, geen verzekeringen. De flexibiliteit is voor hem. Het risico is voor jou.
Het is schijnzelfstandigheid: een werkrelatie die in de praktijk op loondienst lijkt, maar juridisch als zelfstandigheid is ingericht. De Belastingdienst handhaaft er sinds begin 2025 weer actief op, en sinds 1 juli 2026 trekt de wet een harde lijn. Wie €38 per uur of minder verdient — de grens per 1 januari 2026, gekoppeld aan het minimumloon — wordt wettelijk vermoed een werknemer te zijn. De bewijslast draait om: jij hoeft niet aan te tonen dat je eigenlijk in dienst bent, je opdrachtgever moet aantonen dat je dat níét bent.
Het tarief is daarbij alleen de juridische hefboom. Of je in de kern zelfstandig bent, hangt vooral af van hóe je werkt: voor hoeveel opdrachtgevers, hoe vrij je daarin bent, wie bepaalt hoe en wanneer. Werken voor vrijwel één partij weegt daarin zwaar. Het lage tarief maakt alleen makkelijker zichtbaar wat er eigenlijk al speelde.
Zo’n situatie staat niet op zichzelf. In 2025 daalde het aantal ZZP’ers voor het eerst in jaren, met zo’n 62.000 volgens het CBS, grotendeels doordat dit soort constructies onder druk kwam te staan. De wet is geschreven voor precies de positie waarin jij zat: een laag tarief, weinig onderhandelingsruimte, feitelijke afhankelijkheid van één partij. Het ligt niet aan jou, het is een patroon dat zich blijft herhalen: de risico’s van werk schuiven stilletjes naar de zwakste partij.
Maar de wet helpt je pas als je weet dat je erin zit.
Op een gegeven moment ga je onderhandelen. Niet omdat je ruzie zoekt, maar omdat de getallen het je vertellen. Je rekent uit wat het werk in loondienst zou kosten, werkgeverslasten en vakantiegeld en pensioen erbij, en welk zelfstandigentarief daarmee gelijkstaat. Geen grote eis. Gewoon wat het is.
De reactie is stilte. Dan uitstel. Dan een gesprek dat nergens toe leidt. Je verhoogt toch, want het is het enige eerlijke wat je kunt doen. De samenwerking eindigt. Niet netjes, niet snel, maar ze eindigt.
De uitkomst is misschien niet ideaal, maar je weet nu wel wat je ten minste waard bent. Niet alleen een gevoel van eigenwaarde, maar een tarief dat je kunt uitleggen, onderbouwen, verdedigen. Dit is wat de situatie je heeft opgeleverd: het besef wanneer je doorrekent wat er werkelijk achter je tarief schuilging.
Veel zelfstandigen komen daar nooit aan toe. Ze weten wat ze factureren. Ze weten niet wat ze overhouden. Dat verschil heeft een naam: je netto-effectief uurtarief, wat er per écht gewerkt uur overblijft na btw, kosten, belasting en alle uren die je niet doorbelast. Die twee getallen liggen verder uit elkaar dan je denkt, en het gat is geen toeval. Het is precies waar onduidelijkheid haar werk doet.
De vraag is niet of je tarief hoog genoeg vóélt. De vraag is of je weet wat je netto overhoudt per uur dat je echt werkt — inclusief de stille uren, de maanden dat het rustig is, de risico’s die je zelf draagt. Ken je dat getal, dan kun je onderhandelen. Ken je het niet, dan onderhandelt iemand anders. Namens zichzelf.