“Zorg dat je meerdere opdrachtgevers hebt.” Het staat in elk stuk over schijnzelfstandigheid, meestal zonder uitleg, alsof het een formaliteit is die je even regelt.
Het advies klopt. Maar niet om de reden die je meestal leest, en het werkt niet als los trucje.
Hieronder staat wat er inhoudelijk wordt gewogen, waarom het aantal opdrachtgevers daar zwaar in meetelt, en waarom drie klanten waarvan er één alles betaalt geen drie klanten zijn.
Eerst: dit staat los van de €38-grens
Dit is het punt waar bijna alles wat je hierover leest, in de knoop raakt. Er zijn twee losse mechanismen en ze doen verschillende dingen.
Het rechtsvermoeden (sinds 1 juli 2026, bij €38 per uur of lager) is puur tarief-gebaseerd. Het hangt niet af van je aantal opdrachtgevers, en het zegt op zichzelf niets over de inhoud van je werkrelatie. Het bepaalt alleen wie moet bewijzen. Waar die grens vandaan komt staat in de €38-grens; het mechanisme zelf in wat het rechtsvermoeden wél en niet voor je doet.
De inhoudelijke toets bepaalt wat er dan bewezen wordt: ben je feitelijk zelfstandig? Daar speelt je tarief geen hoofdrol, en het aantal opdrachtgevers juist wel.
Kort gezegd: het tarief is de hefboom, de inhoud is de zaak. Wie ze door elkaar haalt, komt uit op “ik zit boven €38 dus het is goed”, dat klopt niet helemaal.
Wat er inhoudelijk wordt gewogen
De inhoudelijke beoordeling hangt vooral op drie dingen.
Gezag. Wie bepaalt hoe, wanneer en waar je het werk doet? Krijg je een opdracht of krijg je instructies? Sta je in hun rooster? Doe je mee aan de dagstart, de functioneringscyclus, de teamplanning? Hoe meer het werk wordt aangestuurd zoals dat van een werknemer, hoe zwaarder dit weegt.
Inbedding. Is jouw werk structureel onderdeel van de organisatie van de opdrachtgever? Doe je hetzelfde werk als de mensen in loondienst naast je, met dezelfde middelen en dezelfde rol – of doe je iets wat die organisatie zelf niet doet en incidenteel inhuurt?
Afhankelijkheid. Hoe vrij ben je feitelijk? Kun je nee zeggen? Kun je weg? Hier weegt het aantal opdrachtgevers. Werken voor vrijwel één opdrachtgever is een zwaar signaal.
En verwacht op dit punt geen naderende duidelijkheid: van wetsvoorstel 36.783 is alleen het rechtsvermoeden en het minimumtarief overgebleven. De bredere “verduidelijking” van zelfstandigheid is in maart 2026 geschrapt. De weging blijft dus een weging.
Waarom “meerdere opdrachtgevers” geen trucje is
Precies omdát het een weging is en geen checklist, werkt het niet om er één vakje van te kopen.
Twee kleine klusjes van €400 naast een opdrachtgever die je hele jaar vult, veranderen niets aan het gezag in die grote relatie. Ze veranderen niets aan de inbedding. En ze veranderen weinig aan de afhankelijkheid, want als die ene partij stopt, staat je jaar alsnog stil.
Wat wél telt is of je positie feitelijk anders is. Kun je die grote klant verliezen zonder dat het je omvalt? Zeg je wel eens nee? Bepaal jij hoe het werk gaat? Dat zijn geen papieren vragen, en ze zijn niet op te lossen met een tweede factuur.
Andersom is één dominante klant ook niet meteen een verdict. Er zijn legitieme situaties waarin één opdracht een jaar vult – een groot, afgebakend project met een duidelijk einde, waarin jij bepaalt hoe het wordt gebouwd. Het hangt af van de situatie.
Peil is hier geen jurist en velt geen oordeel. Van deze drie factoren kan geen enkele tool er twee zien: gezag en inbedding zitten in hoe je dag eruitziet, niet in je data. Wat wél zichtbaar is, is één ding – en dat is precies het onderdeel dat de meeste mensen verkeerd inschatten.
Het cijfer dat je wél kunt zien: hoeveel je grootste klant is
Vraag een ZZP’er hoe zijn klantenbestand eruitziet en je krijgt een aantal. Vier klanten. Zes.
Reken het uit in omzet en het beeld kantelt vaak.
Vier klanten, maar één daarvan is €61.000 van je €68.000 omzet. Dat is geen gezond klantenbestand maar één opdrachtgever met drie hobby’s ernaast. Feitelijk ben je even afhankelijk als iemand met één klant, terwijl het lijstje geruststellend oogt.
Dit is het verschil tussen tellen en wegen. Voor de inhoudelijke toets is het tweede wat telt: hoe vrij ben je feitelijk. Voor jouw eigen positie ook. Als die ene klant morgen stopt, valt niet een kwart van je omzet weg maar negen tiende.
Dat is de reden om dit getal te kennen, en die reden is niet juridisch. Het is je blootstelling. De vraag “hoeveel maanden red ik het als dit wegvalt” is een vraag over je vangnet, niet over de wet. De wet is hooguit de aanleiding om hem te stellen.
Waar het op uitkomt: je tarief
Zoom uit en de drie factoren wijzen naar hetzelfde punt.
Gezag, inbedding en afhankelijkheid zijn allemaal manieren om te vragen: heb je een positie, of heb je een plek? En een positie hebben betekent in de praktijk dat je nee kunt zeggen. Dat je een tweede klant kunt aannemen. Dat je een verlenging kunt laten schieten.
Dat kan als de getallen het toelaten. En daarvoor moet je weten wat je werk oplevert per uur dat je er echt aan besteedt.
Niet je uurtarief – daarvan factureer je realistisch maar 65 tot 70%; de rest gaat op aan acquisitie, administratie en offertes. Wat daarna overblijft, na kosten en na belasting – box 1 (35,75% tot €38.883) plus de ZVW-bijdrage van 4,85% over je belastbare winst, ná zelfstandigenaftrek (€1.200) en MKB-winstvrijstelling (12,70%) – is je netto-effectief uurtarief.
Ken je dat getal, dan weet je wat een klant je waard is, wat een tweede klant zou opleveren, en wat je moet vragen om er één te kunnen missen. Dan is “meerdere opdrachtgevers” geen advies meer dat je opvolgt om ergens aan te voldoen, maar een positie die je je kunt veroorloven.
En dat is uiteindelijk waar het hele dossier over gaat: niet of je op papier zelfstandig bent, maar of je het feitelijk bent. Dat is wat je eigenlijk verdient, en het is een getal.
Bereken je netto-effectief uurtarief – gratis, zonder account.