Sinds 1 juli 2026 staat er een getal in de wet: €38 per uur. Werk je voor dat tarief of minder, dan wordt wettelijk vermoed dat je een arbeidsovereenkomst hebt.

De meeste artikelen erover lezen als een waarschuwing aan jou. Dat is precies verkeerd om. De grens verandert vooral iets aan de positie van je opdrachtgever – en pas daarna aan die van jou.

Hieronder staat wat de grens is, wat hij wel en niet doet, en waarom het getal dat er voor jou toe doet een ander getal is.

Wat de €38-grens precies is

Per 1 juli 2026 geldt een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van je uurtarief. De grens ligt op €38 per uur of lager, gemeten per peildatum 1 januari 2026. Het bedrag is gekoppeld aan het minimumloon en wordt periodiek geïndexeerd, het staat niet in steen.

De regel komt uit wetsvoorstel 36.783, aangenomen door de Tweede Kamer op 21 april 2026 en de Eerste Kamer op 16 juni 2026.

Eén ding is daarbij makkelijk mis te lezen. Van het oorspronkelijke plan is alleen dít deel overgebleven: het rechtsvermoeden plus het minimumtarief. De bredere “verduidelijking” van wanneer iemand zelfstandig is (waar jarenlang op gewacht) is in maart 2026 geschrapt. Wat er ligt is dus een tariefdrempel, geen definitie van zelfstandigheid.

Kom je nog ergens de grens van €36 tegen: dat is een verouderd cijfer uit een eerdere versie.

Wat en voor wie de grens verandert

Het is in één zin samen te vatten: de bewijslast draait om.

Zonder de regel moest de werkende aantonen dat hij eigenlijk werknemer was. Dat is een zware, dure, langzame route, en precies daarom deed vrijwel niemand het.

Met de regel is dat omgekeerd. Zit je op of onder €38, dan wordt de arbeidsovereenkomst vermoed. De opdrachtgever moet aantonen dat er géén arbeidsovereenkomst is. Lukt dat niet, dan kan jij als werkende werknemersbescherming claimen: loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming.

Het is duidelijk wie er hier iets te verliezen heeft. De opdrachtgever die jou voor €34 inhuurt draagt sinds 1 juli 2026 een risico. Voor jou is het, als het ergens op uitloopt, juist een punt van aanspraak.

Dat is de kern die de meeste artikelen omdraaien: een tarief onder €38 is geen verwijt aan jou. Het is een hefboom die de wet je in handen geeft.

Waarom “boven €38” niet betekent dat je veilig bent

Hier gaat het in de praktijk het vaakst mis, en het is de moeite waard om precies te zijn.

Het rechtsvermoeden is puur tarief-gebaseerd. Meer dan dat doet het niet. Boven €38 vervalt het vermoeden – en daarmee vervalt alleen de bewijslastomkering. Er ontstaat geen groen vinkje.

Of je écht zelfstandig bent, is een aparte, inhoudelijke vraag. Die hangt vooral op drie dingen:

  • gezag – wie bepaalt hoe, wanneer en waar je werkt;
  • inbedding – of je werk structureel onderdeel is van de organisatie van de opdrachtgever;
  • afhankelijkheid – hoe vrij je feitelijk bent, onder meer gezien het aantal opdrachtgevers.

Een developer die €95 per uur factureert, al drie jaar aan één opdrachtgever, in diens team, met diens laptop, in diens planning, zit inhoudelijk in een lastiger positie dan het tarief suggereert. Het rechtsvermoeden helpt hem niet – dat werkt maar één kant op – maar de inhoudelijke toets verdwijnt niet omdat hij duur is.

Andersom geldt hetzelfde. Werk je voor €31 per uur voor elf verschillende klanten, vanuit je eigen spullen, in je eigen ritme, dan geldt het vermoeden wel, maar kan je opdrachtgever waarschijnlijk prima aantonen dat er geen arbeidsovereenkomst is.

Houd de twee mechanismen dus uit elkaar. Het tarief is de juridische hefboom die bepaalt wie moet bewijzen. De inhoud van de werkrelatie bepaalt wat er bewezen wordt. Wie ze door elkaar haalt – en veel gepubliceerde stukken doen dat – komt uit op een geruststelling of een beschuldiging die geen van beide klopt.

Wat er realistisch gebeurt

Het beeld van een handhaver die aan je deur klopt is niet waar je op moet rekenen. De Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 weer actief op schijnzelfstandigheid en boetes zijn mogelijk vanaf 1 januari 2026 – dat is een reëel spoor, maar het is niet het spoor waar de meeste ZZP’ers iets van merken.

Wat je waarschijnlijk gaat merken: de opdrachtgever die zijn risico wegneemt. Er is duidelijk druk op freelance werk, wat er voor zorgt dat samenwerkingen niet verlengt worden, werkgevers eerder kiezen voor dienstverband, en dat betekent gesprekken over “even opnieuw kijken naar de samenwerking”.

In 2025 daalde het aantal ZZP’ers volgens het CBS met zo’n 62.000. Dat is de eerste daling na jaren van groei, grotendeels doordat dit soort constructies onder druk kwam te staan. De grootste daling zat in de zorg en de VVT.

Dat is onprettig, maar het is bruikbare informatie. Het betekent dat je tarief niet alleen jouw wens is, maar sinds 1 juli 2026 ook een gegeven in het risicoprofiel van je opdrachtgever.

Het getal dat er voor jou toe doet is niet €38

En hier ligt de stille valkuil.

De €38 wordt gemeten op je gefactureerde uurtarief. Dat is niet wat je verdient per uur dat je werkt.

Reken het eens door. Stel je factureert €38 per uur en je maakt 1.400 declarabele uren in een jaar. Dat is €53.200 omzet.

Maar niet elk gewerkt uur staat op een factuur. Realistisch is 65–70% van je uren declarabel; de rest gaat op aan acquisitie, administratie, offertes, reistijd en alles wat een bedrijf draaiende houdt. Bij 70% horen bij die 1.400 declarabele uren zo’n 2.000 gewerkte uren.

€53.200 omzet ÷ 2.000 werkelijk gewerkte uren = €26,60 per gewerkt uur

En dat is nog bruto. Daar gaan je kosten nog af, en je belasting: inkomstenbelasting in box 1 (35,75% tot €38.883) plus de ZVW-bijdrage van 4,85% over je belastbare winst, ná zelfstandigenaftrek (€1.200) en MKB-winstvrijstelling (12,70%). De volledige keten staat uitgelegd in hoeveel belasting je als ZZP’er betaalt.

Wat er onderaan overblijft per écht gewerkt uur heet je netto-effectief uurtarief, je NER. Dat getal ligt structureel lager dan het tarief op je factuur, en verder eronder dan de meeste mensen gokken.

De wet kijkt naar €38 op je factuur. Jij leeft van je NER. Dat zijn twee verschillende werelden, en je kunt de eerste niet beoordelen zonder de tweede te kennen.

Wat je hiermee doet

Peil berekent één ding uit dat hier telt: wat je per werkelijk gewerkt uur overhoudt. De vraag of je juridisch zelfstandig bent, hangt op gezag, inbedding en afhankelijkheid. Voor meer inzicht daarin kan je de Ondernemerscheck van de Belastingdienst gebruiken. Peil geeft je wel het signaal voor hoe afhankelijk je bent van klanten. Dat geeft gelijk een indicatie.

Wat je wél kunt doen is met een getal de kamer inlopen in plaats van met een gevoel. Niet “ik denk dat ik te goedkoop zit”, maar: dit factureer ik, dit houd ik netto over per gewerkt uur, en dit is wat het tarief moet zijn om daar iets anders van te maken.

De wet helpt je pas als je weet waar je staat.

Bereken wat je per gewerkt uur overhoudt – gratis, zonder account.